Achter ‘geen zin’: wat jongeren ons werkelijk vertellen
Op dinsdag 25 november kwam op het Laurens Lyceum in Rotterdam een betrokken groep van ongeveer dertig onderwijsprofessionals van VO Koers samen voor een verdiepende lezing over motivatie, zelfbeeld en onderpresteren bij (hoog)begaafde jongeren. De docenten begeleiden hoogbegaafde leerlingen in een plusklas. Die context vormde het vertrekpunt voor een gezamenlijke verkenning van wat motivatie en onderpresteren in de praktijk werkelijk betekenen.
In de lezing Achter ‘geen zin’ stond centraal wat er schuilgaat achter ogenschijnlijk afhaakgedrag. Niet als onwil of probleemgedrag, maar als een signaal van innerlijke spanning en ontwikkelingsopgaven. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat weinig interventies helpend zijn bij onderpresteren. Wat wél kan helpen, is het voeren van gesprekken in kleine groepjes. Daarmee verschoof de aandacht van gedrag aan de buitenkant naar wat zich aan de binnenkant afspeelt.
Vanuit het Peterson Proactive Developmental Attention-model werd verkend dat de sociale en emotionele ontwikkeling van hoogbegaafde en niet-hoogbegaafde jongeren in essentie gelijk verloopt, terwijl hoogbegaafde jongeren hun ontwikkeling vaak anders ervaren. Door kenmerken die geassocieerd worden met begaafdheid (zoals gevoeligheid, intensiteit en asynchrone ontwikkeling) kan de manier waarop zij ontwikkelingstaken en overgangen beleven verschillen van hoe anderen van hun leeftijd deze ervaren. De aanname in het model is dat begaafde jongeren hier niet alleen moeite mee hebben, maar ook weinig gelegenheid krijgen om hierover te praten met betrokken volwassenen die de neiging tot adviseren kunnen weerstaan en hen uitnodigen om zonder angst voor oordeel te spreken. Juist wanneer deze binnenwereld weinig ruimte krijgt, kan spanning zich uiten in terugtrekgedrag of het wegvallen van inzet.
Het PPDA-model biedt een kader om hoogbegaafde leerlingen te helpen strategieën te ontwikkelen en te delen voor coping en het ontwikkelen van expressieve taal over zowel positieve als verontrustende aspecten van ontwikkeling. Wanneer het model wordt toegepast in kleine groepen, ontwikkelen leerlingen relatievaardigheden en ontstaan betekenisvolle, niet-competitieve en niet-prestatiegerichte verbindingen met intellectuele leeftijdsgenoten. Aanmoediging van een attente volwassene om te reflecteren en gemeenschappelijke grond te vinden met peers is zeldzaam. Idealiter kunnen sociale en emotionele zorgen, zoals isolatie, vervreemding, twijfel, perfectionisme en een gebrek aan verbinding, besproken worden in een sfeer van veiligheid en respect. De vraag die daarbij steeds terugkwam, was wat dit vraagt van de rol en houding van de docent.
Samen werd verkend wat proactieve aandacht van de docent kan betekenen: het belang van kleine, betekenisvolle gesprekken, erkenning en het normaliseren van ontwikkelingsopgaven en het bouwen aan relationele veiligheid. De deelnemers werkten met een reflectieve werkvorm, gebaseerd op Get Gifted Students Talking van Peterson, waarin identiteit en zelfperspectief centraal staan. Door deze opdracht toe te spitsen op de rol van de docent in het voortgezet onderwijs, ervoeren zij zelf hoe spiegeling en zelfinzicht bijdragen aan bewust handelen en hoe dit doorwerkt in motivatie, zelfregulatie en de relatie met leerlingen.
Deze manier van werken raakt aan een bredere visie op inclusief en kansrijk onderwijs. Daarbij werd aandacht besteed aan twee paradigma’s van inclusie en werd benadrukt hoe belangrijk het is om leerlingen aan de bovenkant van de normaalverdeling ruimte te bieden om te excelleren.
Om deze inzichten concreet te maken, werd gewerkt met praktische hulpmiddelen uit de onderwijspraktijk. De woordspin, ontwikkeld door Anouke Bakx, kwam aan bod als laagdrempelig instrument om het zelfbeeld van leerlingen zichtbaar te maken. De woordspin biedt niet alleen inzicht in hoe leerlingen zichzelf beschrijven, maar kan ook fungeren als meetinstrument vóór en na een interventie, zoals de plusklas die deze docenten begeleiden. Neemt de kwantiteit van de woorden toe? Wordt de aard positiever? Of lukt het leerlingen gaandeweg makkelijker om iets over zichzelf te zeggen? Juist deze kleine verschuivingen geven waardevolle informatie over ontwikkeling die vaak onder de oppervlakte blijft.
In het verlengde hiervan werd ook Het Grote Ontwikkelingsvaardighedenspel, ontwikkeld door Daniëlle Peereboom, ingezet. Het spel richt zich op executieve functies en identiteitsontwikkeling en is ontwikkeld voor het voortgezet onderwijs. Hoewel oorspronkelijk bedoeld voor (hoog)begaafde leerlingen, blijkt het ook uitstekend geschikt voor alle havo- en vwo-leerlingen. What’s good for the best, is good for the rest! De docenten gingen in tweetallen aan de slag met enkele opdrachten uit het spel.
De bijeenkomst werd bewust afgesloten met ruimte voor reflectie en transfer. Met behulp van een zelf vervaardigd 3-2-1-ticket (denkroutine) reflecteerden de docenten op de lezing: drie dingen die zij hadden geleerd, twee vragen en één uitdaging.
De opdrachten rond identiteit en zelfperspectief, een lege woordspin met lijntjes en het 3-2-1-ticket konden de docenten meenemen om uit te proberen in hun plusklas. Dat werd ook daadwerkelijk gedaan. Zo kregen de inzichten uit de middag niet alleen betekenis tijdens de lezing, maar ook een vervolg in de dagelijkse praktijk van de plusklas.
Monique Daalman