Blogserie: Waarom differentiatie vaak niet lukt (en wanneer wel)
De Staat van het Onderwijs 2026 laat zien dat differentiatie in veel scholen nog onvoldoende lukt. Dat is geen nieuwe constatering, maar wel een hardnekkige. Er wordt veel gedaan. Niveaugroepen, extra opdrachten en aanvullende trajecten zijn op veel plekken aanwezig. Tegelijkertijd blijft het lastig om dit in de dagelijkse lespraktijk goed vorm te geven. Dat heeft te maken met hoe differentiatie vaak wordt ingericht.
Wanneer differentiatie vooral rondom de les wordt georganiseerd, blijft het handelen in de klas grotendeels hetzelfde. Terwijl juist daar het verschil wordt gemaakt. In veel klassen is het onderwijs nog sterk gericht op het gemiddelde. Dat maakt het moeilijk om goed aan te sluiten bij verschillen tussen leerlingen.
Effectieve differentiatie vraagt daarom iets anders: een manier van werken waarin docenten voortdurend afstemmen op wat leerlingen nodig hebben. Dat gebeurt tijdens de les zelf. Bijvoorbeeld door niet iedereen dezelfde vervolgstap te geven: leerlingen die de stof al beheersen krijgen ruimte voor verdieping of complexere toepassing, terwijl andere leerlingen extra uitleg of gerichte ondersteuning krijgen. Niet na de les of in een apart traject, maar op het moment zelf.
Dat vraagt dat docenten steeds opnieuw kijken: waar staan leerlingen nu en wat hebben zij nodig om verder te komen? Daar ligt de kern van waar differentiatie wel werkt.